Brandnetel (Urtica dioica)
Museum Klooster Ter Apel
Urtica dioica komt van het Latijnse uro (ik brand), wat verwijst naar de pijnlijke en/of irriterende brandharen van de plant, en het Griekse dioica (twee huizen), wat verwijst naar de mannelijke en vrouwelijke planten. De Grote Brandnetel komt voor op stikstofrijke, humushoudende grond en vaak op halfbeschaduwde plaatsen. Aan de top van de knop van iedere brandhaar zit een weerhaakje dat bij aanraking in de huid vast komt te zitten. Daarbij breekt de knop van de brandhaar af en komt een mengsel van stoffen in de huid die de brandende en langdurig aanhoudende pijn veroorzaken. Hildegard von Bingen schreef de plant geregeld bij talrijke ziektes voor: “Brandnetel is het beste bloedreinigend en bloedvormend geneeskruid”.
(Bron: Van akelei tot zwarte nieswortel, De kruidentuin van Museum Klooster Ter Apel, Nico Rookmaker, 2020)